Ik durf het nu wel te vertellen, want het is al zo lang geleden. Het was ergens in eind november, met een snoeiharde zuidwester, stervens koud, regen en warm buiswater, natte sneeuw hadden we eerder die dag ook al gehad, op een vrijwel leeg Markermeer met schuimkoppen, ik schat met slechts 2 bootjes op het hele Markermeer, de ene een stevige stalen viskotter uit Volendam (denk ik), de ander ondergetekende in een houten bootje op jacht naar de Zilveren Breilepel (voor de winnaar van Reids Singlehanded), 2 reven in het grootzeil, klein fokje, hoog aan de wind, baggerweer.
Ik had hem nog gezien, die kotter, ergens ver weg aan bakboord, tussen mij en de dijk in.
Ik zweer je dat ik niet zat te slapen, echt niet, maar laten we het maar houden op koud en nat zitten wezen, diep in de kapuchon met mijn rug tegen het kajuitschot, verzonken in het kielzog, met een hypnotiserend kwispelende windvaan die er zin in heeft, meimerend over mijn lieve vriendin thuis bij de warme kachel, of zoiets. We krijgen harde klappen, telkens weer die boeg er tegen in, die boot geeft niet op.
En dan het volgende moment een onwerkelijke dreun. Dat voel je dus als je knock-out gaat. Wat een enorme klap! Ik zat vastgenageld aan het schot en mijn houten bootje was in één klap een halve meter korter.
In die tijd stond er ergens tussen Enkhuizen en het Paard een meetopstand (is die er nog?) en dat was mijn aller eerste gedachte. Het zal toch niet ... Sh*ttt. Maar dat was toch een soort van geraamte, en dit is een grote groene wand. Sh*ttt.
Ik zat vol op de spiegel van die kotter die daar iets met visstokken lag te doen. Mijn bootje stuiterde terug, viel af, ving weer wind en de windvaan stuurde vrolijk verder, al schurend langs het vrijboord van die kotter waar de vissers snel hun handen binnenboord moesten trekken omdat ik die anders er af had gevaren. Ze riepen wat maar door het lawaai van de wind kon ik ze niet verstaan. Hun gebaren waren wel duidelijk en ik kwam tot het besef dat ik zojuist full speed frontaal op hun kont was geknald.
Als door een wonder stond de mast nog recht overeind (dankzij de voorstag putting die onderin de ankerbak zat) en een snelle inspectie op de boeg, althans wat daar van over was, gaf mij weer enig vertrouwen om de plotselinge chaos het hoofd te kunnen bieden. Vervolgens als een speer naar binnen en, afgezien van de natte zooi, bleek alles daar verder droog te blijven. Behalve een verticale scheur in de steven was er binnen geen verdere schade te bespeuren.
Achteruit kijkend was de kotter alweer een klein stipje geworden. Die had hooguit een deukje opgelopen en van de stokken of netten heb ik niets meegenomen.
Het moreel was al niet te best na eerdere tegenslagen in die tocht maar desondanks toch nog een stempeltje gehaald bij Ome Ko in Muiden. Ik zag het aan hun gezichten, daar heb je weer zo'n halve zool. Zo bemoedigend allemaal.
Bij Muiden weer naar buiten, de inmiddels donkere avond in, voor het laatste rak terug naar Workum, waar drie dagen eerder alles ook begonnen was. Door de warmte bij Ome Ko had ik nu tintelende vingers. De thuishaven was dichtbij en de aantrekkingskracht daarvan, stuurboord uit onder de Hollandse Brug door, was niet meer te weerstaan. Nog diezelfde avond lag ik moe maar niet voldaan te ontdooien achter mo's billen.
Die breilepel was in dat jaar niet meer voor mij weggelegd
Ik denk dat dit één van mijn eerste serieuze blunders is geweest. Er zouden er nog tientallen volgen (weet ik nu