Naar Spiekeroog.
Ma. 01-09-2008.
Het weer is omgeslagen, zo mooi zonnig en warm als het gister was, zo bewolkt en fris is het vandaag. De wind zit in de zuidwesthoek en is ook toegenomen tot 5 – 6 met een dikke zeven in de buien. Met de deze wind is het goed zeilen op het Duitse wad. Dat is hier zo smal dat de eilanden en de kust hier voor een oppertje zorgen en de zeegang niet al te gek wordt. Vanwege het getij hoeven en kunnen we niet vroeg weg, zo tegen de middag is vroeg zat. We kunnen uitslapen en gaan na het ontbijt – ik met frisse tegenzin – op de fiets naar het dorp om nog wat “onmisbare” zaken in te slaan, die we vanmiddag op Spiekeroog ook kunnen kopen, zónder dat we eerst een kilometer of wat moeten fietsen. Dit argument maakt op Marjanne totaal geen indruk. Ze veegt mijn bezwaren met drie woorden van tafel. ‘Je gaat mee!’ Ja, ik weet het, ik moet laten zien dat ik de baas ben, maar zeg eens eerlijk, welke man kan op tegen “vrouwenlogica”? De weg naar het dorp bestaat uit grote betonplaten die in W.O. II de start en landingsbanen vormden voor de jachtvliegtuigen die de Engelse bommenwerpers moesten afschieten voor ze de grote steden met hun havens en industrie bereikten. Overal in het duinzand, door het bos en in weilanden, zie je deze banen, overwoekerd door braamstruiken en sommige stukken onder meer dan een meter zand. De Duitsers hebben destijds, net als de Engelsen op Malta, van het eiland een groot en onzinkbaar vliegdekschip gemaakt.
Het dorp is helemaal ingericht op toeristen, Duitse toeristen om precies te zijn, Hollanders zouden hier niet veel uitgeven. De souvenirzaken, het zijn er wel een paar dozijn, verkopen bijna allemaal dezelfde quatsch en wat er aan de rekken van de vele kledingzaakjes hangt is zo oubollig dat zelfs ík er niet in wil lopen, en dat zegt wat! We zetten de fietsjes in de dorpsstraat neer en wandelen omhoog over een smal klinkerpaadje het duin in tegen een nog hoger duin gaat een trap omhoog en komen we aan de voet van de vuurtoren. Vanaf hier hebben we een prachtig uitzicht over zee.
‘Kijk Martje, daar links zie je de tonnen waar we zaterdag langs binnenliepen.’
Een Vissermannetje loopt daar in de verte het zeegat aan, hij maakt beste schuivers. We blijven hem volgen tot hij bij de kop van het eiland achter de duinen verdwijnt.
‘Stoer, zoals dat bootje zich naar binnen knokt, die zien we straks wel in de haven.’
Het wordt tijd voor de boodschappen. We wandelen terug naar het dorp waar ik blijf hangen bij de enige winkel die nog wat leuk spul in de etalage heeft en Marjanne duikt de supermarkt in.
Op de terugrit stopt Marjanne om de haverklap, zogenaamd om mij even rust te gunnen maar in werkelijkheid gaat het haar om de dikke rijpe bramen die hier overal langs de weg groeien.
Wanneer ik protesteer.
’Zo verspelen we het tij!’
Maakt ze me medeplichtig door een handvol bramen in mijn mond te proppen. Terug in de haven is de modderbank midden in de haven al meer dan een meter onder water. Ik start de motor, gooi alles los en kachel naar de uitgang. Marjanne heeft de boodschappen weggeborgen, bier in de koelkast gelegd en de losse rommel zeevast gezet.
‘Kijk daar ligt het kottertje dat we zagen binnenlopen.’
Het kleine ding dat daarstraks zo nietig leek, blijkt bijna drie keer zo groot als “Zeebeest” te zijn.
‘Kan je nagaan hoe men tegen ons aankijkt wanneer wij in een zeegat liggen te klooien.’ Nog voor we de havenhoofden passeren, horen we de veerboot van twaalf uur blazen. Ik zet de motor op dead-slow tot de boot, die door de hoge pieren niet te zien was, naar binnen draait. Dan gaat het weer naar achttienhonderd klappies en wuiven we terug naar de enthousiaste vakantiegangers.
‘Martje, waar is mijn zakkammetje? Ze nemen foto’s van me.’
‘Van jou? Kom nou, van mijn mooie scheepje zal je bedoelen.’
‘Ga zo door vrouw en ik zet je af op een zandbank, een die met vloed onderloopt.’
Ik zet zeil, niet te veel want harder dan rompsnelheid lopen we toch nooit. De motor gaat uit maar we lopen er geen mijl minder om. De lucht is dreigend met jagende wolken en ook het zeetje, hoewel niet hoog zet behoorlijk fel door. Op de banken in de verte zien we een hele zeehondenvergadering zitten.
We jagen dik twee uur lang grandioos langs de prikken, dan lopen we Spiekeroog, het voor laatste eiland in de rij, aan. We hebben alle ruimte in de haven want er liggen bijzonder weinig boten binnen, dus leg ik ‘Zeebeest” niet in een box maar langs de steiger, dat stapt wat makkelijker op en af.
We maken kennis met twee Hollandse mannen, die met hun donkerbruine zeilsloep ook al een tijdje over de wadden scharrelen. Ze hebben de laatste weerberichten gehoord en die geven voor morgen nog meer wind op. Nu ben ik met een schip als “Zeebeest” niet gauw benauwd, zeker niet hier op het wad. Het is alleen goed opletten bij het passeren van de zeegaten. Daar gaat de route een stuk zeewaarts en kachel je tot vlak bij de platen en de branding, dan is het even een minuut of twintig heftig tot je weer in kalmer water onder de eilanden komt. Ook moet je hier goed opletten dat je de laatste boei niet mist en te vroeg afslaat naar de volgende geul, want als je daar aan de grond loopt, sla je binnen een half uur totaal aan barrels.
Het blijft rustig in de haven, dit tij zijn wij de enigen die binnenlopen. Op slechts een paar boten waait een vlag, de rest ligt er verlaten bij. Marjanne wil naar de Theestube en ik moet mee. Nu ben ik er heilig van overtuigd dat je van thee hoofdluis, zakratten en niet nader te benoemen nare kwaaltjes krijgt, die je alleen door veel koffiedrinken kan overwinnen. Helaas Marjanne is niet te vermurwen, ik moet niet alleen méé, ik moet ook aan de théé, bah! Nu is het dorp vlak bij de haven dus wat lopen betreft valt het wel mee. Even later zitten we onder een mooie oude lindeboom op een knus terrasje.
‘Zeg Martje, moet je zien wat die vent krijgt, koffie! Hoera, ik ben gered, ze hebben hier ook koffie!’
Marjanne kijkt me even vernietigend aan.
‘Je bent de hele reis al zoveel mogelijk aanboord gebleven en je hebt je onttrokken aan alle dingen die ík leuk vind, nu gaan we gewoon gezellig met z’n tweetjes op Oost Friese wijze theedrinken en daarmee uit!’ ‘Ja schat, héél gezellig, ik verheug me er echt op.’ Bij mijzelf denk ik:’Mijn Duits is stukken beter dan dat van haar dus ben ik degene die bestelt, dat geeft mij de kans om voor mij zelf koffie te bestellen. Daar is de bediening
‘Guten tag, was wünschen die herschaften?’ Ik haal diep adem, om in een mooie lange volzin zowel thee als koffie te bestellen. Maar Marjanne, die me al doorhad nog voor ik er zelfs maar aan dacht, is al druk aan het overleggen met de serveerster. Zij in half Duits, half Hollands en de serveerster half in het Duits en half in het Ostfries. Die twee begrijpen elkaar perfect en wanneer ik voorzichtig probeer een koffie te bestellen, kijken twee vrouwen me aan met een blik van “…? Waar bemoei jij je in Godsnaam mee?”
De bestelling houdt in; Een pot thee op een theelichtje, suiker, kandij, een kannetje room, glaasjes theelikeur en een schaaltje koekjes. Wanneer ze eindelijk uit geouweneeld zijn denk ik nog iets van mijn manlijke waardigheid te redden door resoluut een wafel met warme kersen en slagroom te bestellen.
De serveerster kijkt even vragend naar Marjanne. Die haalt bijna onmerkbaar haar schouders op en knikt genadig. Weg is mijn zelfrespect, ik mag lijden dat ze morgen zeeziek wordt!
Albert